• Kurt De Boodt ("rekruut K") dicht duizelingwekkend in deze bundel. (...) Zijn Manifest lijkt naar Dada te verwijzen: "de kunst is in beweging blijven / alles willen tegelijk en wel nu" en ook "achter / hocus pocus aan van dol / gedraaid bestaan." Dat doldraaien lijkt op zijn regels te gaan slaan, en zo wordt zijn poëzie lijdend voorwerp. Dada betekent vooral hulde brengen aan de lelijkheid. Kurt De Boodt doet dat slim en behendig. (...) Het werk van Kurt De Boodt is in belangrijke mate licht geworden, hij beheerst zijn gekkigheid beter dan voorheen, en dat kan de winst zijn van niet twee jaar maar vier jaar over een bundel te doen. (...) Rare hedendaagse rederijker, die Kurt De Boodt. Eric Lindner, Ons Erfdeel 4, november 2008
  • De Vlaamse dichter en criticus Kurt De Boodt (º1969) weet wat ritme is. Albert Hagenaars, NBD/Biblion
  • De utopische drijfveer die de dichter als kunstenaar, als producent in beweging zet en houdt - 'alles willen tegelijk en wel nu' - heeft in een andere werkelijkheid, in die van de lezer en schrijver als consument, een destructief gezicht. Het verlangen naar onmiddellijkheid dat aan kunst een utopisch karakter geeft, pakt in de sociaal-economische werkelijkheid nihilistisch uit. Poëzie is van taal en van tijd. Poëzie is de kunst van het uitstel. Het onmiddellijkheidsverlangen heft zichzelf op in de formulering, in de dichtregel waarin hij uitstrekt. Daarom laat poëzie ons uitkomen bij werkelijkheid.  Hans Groenewegen, Ophef 15, juni 2008
  • Zoals de titel al aangeeft, is de toekomst of de nieuwe tijd hier erg belangrijk. Een nieuw geluid zou een nieuwe lente kunnen inluiden. In de poëticale openingsreeks 'En avant' wordt gereflecteerd over hoe taal de wereld kan helpen redden. Het woord reflecteren schijnt wat vreemd in de buurt van deze speelse poëzie. Maar dat speelsheid een buitengewone ernst niet hoeft uit te sluiten, wist al Paul van Ostaijen." Anneleen De Coux, Poëziekrant 4, juni 2008
  • Kurt De Boodt stelt zichzelf in deze bundel voor als de eerste (of de laatste) echte avant-gardist. Net zoals de dadaïsten wil hij alles vernietigen om zo zoveel mogelijk de weg te effenen voor het nieuwe begin. (...) Kurt De Boodt is zo geslaagd in zijn poging om de wordingsgeschiedenis van de historische avant-garde te laten zien. De vele echo's aan Van Ostaijen en de Vijftigers, naast tal van referenties aan de internationale kunst, zullen voor heel wat lezers een meerwaarde betekenen. Toch heeft de bundel ook iets gratuits: het is niet altijd even duidelijk waarvoor die virtuositeit precies wordt ingezet. Dirk De Geest op e-wolf
  • Beweeglijkheid is niet iets gratuits. Ik schrijf vanuit mijn bezorgdheid daarover. Tegenover die orakelstemmen plaats ik een poëzie die zowel speels als serieus is. Vandaar dat ik soms wel eens de kritiek krijg dat het "maar een spel" lijkt. Het serieuze in mijn poëzie? Ja, het is retoriek maar ook niets minder dan een oproep tot revolutie. Tot een nieuwe mens, dat hij nu moet komen. En tegelijk is het altijd opnieuw een uitstellen. Als het nieuwe begin zich werkelijk begint te manifesteren, zijn het einde en de vernietiging nabij. Kurt De Boodt in Poëziekrant 4, juni 2008
  • Nee, deze poëzie heeft niets nostalgisch. Wat zoekt De Boodt in het avantgardisme? Wat heeft het hem nog te bieden? Het is wellicht het inventieve, het prille, het risico, het brio, het provocerende, het rebelse, het uithoudingsvermogen, het speelse die hem erin aanspreken. Kortom: dat wat het leven in zijn dynamiek betrapt. (...) Deze dichter nodigt uit tot flexibiliteit, tot voortdurend ontwaken. Tot renaissance. Gedicht na gedicht: steeds weer herbeginnen, het nu laten (re)genereren, tot handeling overgaan: "Rijs goddomme op!" (...) De kracht van deze poëzie is haar luchtigheid, in de zin van verve. De poëzie blijft bij De Boodt haar droomapparatuur bewaren en verdragen. Dit is verre van een saaie bundel. Er staat meer in dan wat ik hier probeer te beschrijven. En laat het nu maar eens met deze recensie gedaan zijn: lezer, laat de lectuur ervan toe en laat het nu gebeuren. Hop! Hop! Alain Delmotte op Poëzierapport.
     
  • “Ik maakte voor het eerste kennis met het werk van De Boodt toen ik vorig jaar als freelance poëzieredacteur van de Wereldbibliotheek het manuscript van Waarop de klok ontwaakt! onder ogen kreeg. De bundel verraste me aangenaam. De gedichten sproedelen en spetteren. Ze deinen en stokken. De dichter heeft zich laten aanraken door belangrijke avant-gardistische stromingen van het begin van de vorige eeuw: futurisme en dada. Hij wil zijn omgeving in beweging brengen door bij het schrijven zelf ontvankelijk te zijn voor de bewegingen en de bewegingsmogelijkheden van onze taal. Daarbij is de bundel meer dan een verzameling losse gedichten. Dat spreekt me aan.” Hans Groenewegen bij de presentatie van Waarop de klok ontwaakt!, 20 februari 2008. Zijn volledige inleiding staat te lezen op In letterland  
  • “De poëzie bloeit omdat er dichters zijn die haar laten bloeien. Arjen Duinker, Dirk van Bastelaere, Onno Kosters, Andrea Voigt, Catharina Blaauwendraad, Kurt de Boodt, Ilja Leonard Pfeijffer of Bart Droog, om een paar namen te noemen, dragen allemaal bij aan deze bloei – en allemaal op hun eigen wijze.” Chrétien Breukers in het voorwoord van 25 jaar Nederlandstalige poëzie, 1980 - 2005, in 666 en een stuk of wat gedichten* 
  • “Ik vind het prachtig.” Ton den Boon leest ‘Spellen met Dick Bruna’ in De Avonden, VPRO, 19 september 2006 ... Download het audiofragment 
  • “Waar je de lectuur van Anselmus ook aanvangt, de bundel problematiseert de graag gekoesterde gedachte dat de overgeleverde taal een betrouwbaar ordeningsprincipe is. Daarvoor is de zichtbare wereld al te zeer op drift geslagen. (…) Bij nadere beschouwing vertoont De Boodts bundel méér orde(ning) dan zich aanvankelijk laat denken. Bovendien weerspiegelen de in vele richtingen uitwaaierende gedichten de entropie van de wereld. Méér zelfs, wie de drie tot nog toe door De Boodt gepubliceerde bundels overschouwt, kan Anselmus beschouwen als de uitvoering van het programma dat achterin het debuut En alles staat stil (2000) opklinkt. (…) Diezelfde zoektocht (naar het middelpunt) heeft De Boodt geïnspireerd tot het schrijven van springerige, groteske en ontregelende gedichten waarin registers over elkaar heen buitelen en de taal haar vitaliteit terug opeist.” Yvan De Maesschalck, Poëziekrant 5, 2004, 26-27 
  • Vreemd.... en daar ga je dan.
    [citeert ‘Raar maar waar’]
    Isis, als je maar `t juiste gedicht leest,
    dan kun je al `n beetje vreemd gaan...!
    (Dit is van KURT DE BOODT uit de bundel Anselmus)
    Groeten fravapa
    fravapa / 25-09-2006 11:48
     
  • Pfffffffff...wat houd ik van die woorden van Kurt de Boodt
    Van dat volle volume...wat alles raakt wat er te raken valt...met alle echo s van verlorenheid en hartstocht......Sjonge, wat stuitert dat lekker voort!MMmmmmmmmm.........
    D A N K
    Isis Nedloni / 25-09-2006 17:07 Op de Volkskrantblog 
  • “In zijn beste momenten, bijvoorbeeld in de titelafdeling of in gedichten als ‘Crash” en ‘I´ll be back’, is Anselmus een bundel die werkelijk op een prachtige en ludieke manier een modern levensgevoel uitdrukt, maar meestal zijn het kunstjes van een talentvol dichter. Heel vakbekwaam uitgevoerd allemaal, maar veel te vaak een beetje steriel postmodernisme.” Carl De Strycker in Vlaanderen, jaargang 54, nr. 4, 2005 
  • “Moules belges is dan ook een door en door filosofische bundel die de lezer voor een aantal doordenkers en hoofdbrekers plaatst. Dat doet De Boodt echter op een luchtige en woordspelerige manier met veel aandacht voor verrassingselementen in zijn taal. Dat maakt dat je als lezer plezier schept in de raadsels die de dichter opwerpt, dat bewerkstelligt ook een rustpauze tijdens een intensieve lectuur.” Carl De Strycker in Bibem, jaargang 17, nr. 3, 2003 
  • “Het is de sterkte van Kurt De Boodt dat de eenvoud van het lied zo dikwijls perfect samengaat met de ideeën die erin verwoord worden. Moules belges is overduidelijk een bundel van de genese, een vitale moule waarin een beeld gegoten wordt dat mij zegt waar ik hier en nu in de wereld sta.” Jean-Paul Den Haerynck in Poëziekrant 3, 2003 
  • “Van de beelden in zijn verbeelding maakt hij mallen die hij vult met woorden. Deze dichter gaat knap en creatief om met anekdote en reflectie, descriptie en allusie.” Joris Gerits, Streven, december 2002 
  • “Is het nodig om het werk van Marcel Broodthaers te kennen om de gedichten in deze bundel te kunnen lezen en volgen? Nee, en dat pleit uiteraard voor deze poëzie, die zowel van een grote vormbeheersing blijk geeft als van een niet onaanzienlijke ideeënrijkdom.” Rutger H. Cornets de Groot in Meander 
  • “De bundel handelt en wandelt volop in het kijken en bekeken worden. Kurt De Boodt legt onnavolgbaar het idee beeldspraak onder de taalkundige loep van zijn - geloof me vrij - groot poëtisch kunnen. Attentie, beschouw het woord taalkundig letterlijk: taal met kunde gemaakt, ja, zo knap zitten de verzen ineen. Er is duidelijk met ernst en precisie aan deze bundel gecomponeerd. Maar tegelijk straalt het werkplezier eraf, het vermogen om afstand te nemen, zelfrelativering, wat het geheel een openheid verschaft en een speelse lichtheid.” Mark Van Tongele tijdens de presentatie van Moules belges in het SMAK, Gent, 29 september 2004 
  • “De dichter gebruikt veeleer plastische kunst van zowel contemporaine als klassieke kunstenaars (van Goya en Brancusi tot Broodthaers en De Cordier) als model voor zijn eigen visie op de mens. Daarbij wordt de dichter vooral gefascineerd door de lichamelijke zijde van de mens, en door de kwetsbaarheid en de onbeholpenheid die daarmee samenhangen. Van een zelfgenoegzaam, rationeel subject is doorgaans geen sprake.” Dirk De Geest in Leesidee, jaargang 9, nummer 2, maart 2003 
  • “Met deze boeiende debuutbundel kiest Kurt De Boodt voor een combinatie van lyriek en plastische kunst. In de diverse reeksen verkent de dichter genuanceerd, sfeervol en met veel oog voor het juiste detail de stilte en de stilstand van het portret en het stilleven. Poëzie verschijnt in die optiek als een eigen vorm van stil-leven, verstilling en stolling die enerzijds het overleven garandeert en de tijd overwint, maar anderzijds leidt tot het stilleggen van elke dynamiek.” Dirk De Geest in Leesidee, jaargang 7, nummer 2, maart 2001 
  • “De vraag is of je dat wel zo duidelijk kunt stellen: het leven beweegt, de kunst staat stil. Kurt De Boodt heeft aan die vraag een hele bundel gewijd. Van zwart op zwart in het eerste gedicht, tot wit op wit in een van de laatste gedichten. Daartussen staan zijn verzen, zwart op wit. Heldere aarzelingen, uitgesproken aftastingen. Het is onder meer dat tastende dat mij erg bevalt in deze bundel. Het heel aandachtig bespieden van zijn onderwerp en het voortdurende polsen van de woorden. Het is ook, hoewel er complexe zaken in aan bod komen, geen zwaar-op-de-handse poëzie. "Kom binnen lichtinval", schrijft De Boodt ergens. Dat lijkt hij ook te bedoelen voor zijn gedichten. Net zoals veel schilders gepreoccupeerd zijn door het licht, is ook in deze gedichten het licht alomtegenwoordig - soms somber, soms in een vriendelijker gedaante. Maar de gedichten zelf zijn meestal ook licht verwoord, als waren het lichtrijke schilderijen.” Bernard Dewulf tijdens de presentatie van En alles staat stil in de Stadsschouwburg van Mechelen 
  • “Roerloos leg ik mij terzijde de bundel Roerloos waarin ik gedichten heb gelezen over trillingen van onze ogen en onze handen. In de bundel hangt ieder gedicht naast een schilderij, en telkens benadert de dichter met zijn verzen de penseelvoering van de schilder, schrijft hij woorden neer die een ander met zijn verf heeft uitgestreken. Dat levert gezichten in stereo op: aan de ene kant zien we het schilderij en aan de andere kant horen we het, van alle zijden komen de trekken van het schilderij tot leven. We kijken naar de stillevens, de interieurs en de portretten van de dode schilders en treden er zo binnen, eenvoudigweg, zoals je een deur opendoet en een kamer binnentreedt, aan de hand van de anonieme dichter. En als we eenmaal binnen in het schilderij staan, dan kijken we om ons heen en bewonderen het land van de olijf, een vrouwenrug en wijn. Dan kunnen we alles aanraken, ook het kleur en het licht. En kijken we naar de overkant, naar buiten, dan zien we onszelf staan zoals we daareven stonden, in spiegelbeeld, roerloos te kijken naar het schilderij. Dat is het mooie van de bundel Roerloos, het brengt een beweging teweeg. De gedichten beschrijven de schilderijen en leiden ons binnen het doek, de woorden raken de beelden aan en we verplaatsen ons van hier naar daar.” Jan Florizoone over Roerloos, een eerdere versie van En alles staat stil